De aankoop van een onroerend goed wordt meestal geheel of gedeeltelijk gefinancierd in de vorm van een hypotheek. Wanneer men het heeft over een hypotheek, wordt meestal de lening bedoeld en niet zozeer het recht van hypotheek.

Het hypotheekrecht is het beperkte recht op het registergoed van de schuldenaar. De schuldeiser mag, wanneer de debiteur niet aan zijn verplichtingen voldoet, bij voorrang zijn vordering verhalen. Hypotheek kan worden gevestigd op registergoederen, zoals onroerende zaken (grond, huizen). Bij een hypotheek is er sprake van twee overeenkomsten. De ene overeenkomst heeft betrekking op een geldlening. De andere overeenkomst heeft betrekking op het recht van hypotheek. De hypotheek is afhankelijk van de geldlening. Het hypotheekrecht is immers een afhankelijk recht of ‘accessoir recht’: als er geen schuld is, kan er ook geen hypotheek ontstaan.

De hypotheekhouder of hypotheeknemer is degene die recht van hypotheek op het registergoed van een ander ontvangt.
De hypotheekgever is degene die op zijn registergoed een recht van hypotheek geeft tot meerdere zekerheid van voldoening van een geldvordering. De hypotheekgever geeft dus zijn registergoed in onderpand voor een geldvordering. Hypotheekgever en schuldenaar van de geldvordering hoeven niet dezelfde persoon te zijn; iemand kan hypothecaire zekerheid verlenen voor de schuld van een ander. Het hypotheekrecht verschaft de geldverstrekker zekerheid: de hypotheekhouder heeft nu immers een goed dat hij mag verkopen, wanneer de schuldenaar zijn schuld niet betaalt. Uit de opbrengst van de verkoop mag de hypotheekhouder zijn vordering voldoen

Het recht van hypotheek wordt gevestigd door middel van de inschrijving van de hypotheekakte in de openbare registers (hypotheekregister Kadaster). De wet schrijft voor dat er sprake moet zijn van een notariële akte en dat er pas officieel een recht van hypotheek gevestigd is op het moment dat de akte is ingeschreven.

Voorbeeld: een vader geeft hypothecaire zekerheid aan een geldverstrekker op zijn woning voor een lening die zijn zoon heeft genomen. De vader is dan de hypotheekgever. De geldverstrekker is hypotheeknemer of hypotheekhouder. De zoon is alleen schuldenaar.

Bij ANBF gebruiken we de term geldnemer en geldgever. De geldnemer is de schuldenaar en leent het geld. De geldgever leent het uit. Voorbeeld: een vader verstrekt een hypotheek aan zijn zoon die een woning koopt. De vader is geldgever, hypotheeknemer en hypotheekhouder. De zoon is geldnemer, hypotheekgever en schuldenaar.

e